Aide à la consitution de groupes d'achats solidaires:
http://www.gas-bxl.collectifs.net/ - olivier§à§haricots§point§org
Jardins collectifs:
- Tour&Taxis: tt§à§jardins§point§collectifs§point§net
- Rue gray à Ixelles: ruegray§à§jardins§point§collectifs§point§net
- Serre à Hoeylaert: jardincollectif§à§sdu§point§collectifs§point§net
Enkele jaren geleden waren Kari Stevenne en Mathieu Dohmen aan het einde van hun spraakwater (‘‘la fin des haricots!’’ in het Frans) na hun eerste jaren studeren aan het Agronomisch Instituut van Henegouwen. De twee agronomen bleven niet bij de pakken zitten en richtten samen een vzw op om hun verzet op een constructieve manier vorm te geven. Ze verzamelden een groep gelijkgezinden rond zich en in 2005 zag ‘Le début des Haricots (DDH) het levenslicht.
Wat is het doel van jullie vereniging?
Kari: Het basisdoel van onze vereniging is het herstellen van de band tussen land- en tuinbouw enerzijds en bewoners anderzijds. We proberen met andere woorden de kloof tussen voedselproducenten en consumenten te dichten. Daarmee willen we twee maatschappelijke problemen aanpakken. Dat onze impact bescheiden is nemen we er gerust bij. Het eerste probleem is dat we de hedendaagse intensieve landbouw, de agro-industrie onze leefomgeving werkelijk aan het vernielen is. Een tweede daarmee verbonden probleem is dat mensen minder en minder weten hoe ons ecosysteem, de natuur, in elkaar steekt. Ze zijn er van vervreemd.
Omar: Zo is dat. Ik denk dat dit probleem typisch is voor in grote steden, zoals Brussel, omdat je daar het verst verwijdert bent van de natuur. Het gekke is dat we dagelijks met natuur in contact komen via ons eten, maar we beseffen dat niet meer, omdat er heel wat tussenpersonen staan tussen de aardappel op je bord en de boer op zijn akker.
Hoe zetten jullie die doelstellingen om in de praktijk?
Mathieu: Voor ons is het belangrijk dat we mensen sensibileseren over de problemen waar onze aarde mee te kampen heeft, maar we willen tegelijk positieve, constructieve alternatieven aanreiken die iedereen gemakkelijk kan toepassen. We doen dat via drie projecten: we promoten lokale ecologische landbouw via het systeem van de GAS-SAG (Groupement d’Achat Solidaire – Solidaire AankoopGroep), we organiseren ecologisch tuinieren in Brussel en we leiden pedagogische projecten (bio-indicatie en kleurentuinen).
Wat moeten we precies verstaan onder het systeem van GAS-SAG?
Kari: In 1971 vond er in rampzalige voedselvergiftiging plaats in Japan ten gevolge van intensieve landbouwpraktijken. Dat gaf aanleiding tot de oprichting van de zgn. ‘Teikei’ (vrij vertaald als ‘het gezicht van de boer op het voedsel plakken’). De werking van deze groepen werd gecoördineerd door de Japanse Vereniging voor Biologische Landbouw. Daarna is dit model in andere delen van de wereld overgenomen. Zo hebben we in Frankrijk de AMAP’s (Assosiation pour le Maintien d’Agriculture Paysanne) en sinds 2003 in Brussel dus de GAS-SAG’s (Groupement d’Agriculture Paysanne – Solidaire AankoopGroep) die gecoördineerd worden door DDH.
Hoe functioneert dat in de praktijk?
Olivier: Het systeem is eigenlijk heel eenvoudig. Om de week of om de twee weken levert een boer zijn groenten in een depot. Dat is doorgaans een kelderruimte van één van de gas-sag leden). De groep, die nooit uit meer dan 25 personen bestaat, komt tijdens de permanentie de groenten halen. We drinken dan samen iets, of kijken naar een film, discussiëren wat en delen vaak recepten uit. Het sociaal contact is heel belangrijk voor ons.
Hoeveel groepen bestaan er zo?
Omar: We hebben er momenteel 4. De eerste was in Elsene. Daarna volgde Sint-Gillis, Schaarbeek. Sinds kort hebben we er ook één in Bosvoorde. Iedere groep kiest zelf haar vorm, maar respecteert wel altijd een aantal basisprincipes die in een charter werden opgesteld. Die moeten alle leden ondertekenen.
Hebben jullie succes?
Kari: Het pilootproject dateert van 2003. Toen was het echt niet gemakkelijk. Iedereen had zo zijn idee over hoe we moesten functioneren en het duurde lang voor we een goeie modus vivendi vonden. Sinds 2006 hebben we een soepel systeem dat door meer en meer groepen worden overgenomen. We hebben nu ook een website die door veel mensen bezocht wordt en die de communicatie vergemakkelijkt. We hebben ook een overkoepelend orgaan (het gas-sag netwerk) waar de coördinatoren van de verschillende groepen samenkomen. Dat netwerk is heel belangrijk voor een goeie samenwerking.
Met welke boeren werken jullie samen?
Mathieu: De twee belangrijkste leveranciers zijn een boerderij uit Wellin. Dat is echt een pareltje van een bio-dynamische boerderij. Heel wat leden van de gas gaan er van tijd tot tijd wat op de velden helpen. We werken sinds kort ook met een producenten en consumenten-coöperatieve van bio-boeren in Pajottenland (Boeregoed-Coté Soleil). Lokaler kan het eigenlijk niet!
Hoe zit het dan met de andere projecten? Je had het over ecologische tuinen in Brussel.
Omar: Ja, we hebben momenteel een project lopen op Thurn en Taxis. In september 2006 kwam Mathieu Verhaeghen (Bravvo) aandraven met de boodschap dat er op T&T de mogelijkheid was tot een project rond tijdelijk gebruik te doen. We kwamen toen net terug uit Quebèc waar we in Montréal een bezoek hadden gebracht aan een collectief tuinproject. We zaten vol nieuwe ideeën en zijn onmiddellijk op de projectoproep gesprongen. De site die we uiteindelijk kregen, werd op de koop toe vroeger gebruikt voor volkstuintjes. De ondergrond is gewoon perfect! Het project loopt nu goed, maar nieuw bloed is altijd welkom.
David: We hebben ook nog twee pedagogische projecten. In tegenstellingen tot de andere projecten zijn de pedagogische gericht op kinderen. Het ene project heet kleurentuin, het andere bio-indicatie. De kleurentuin is een project dat scholen, verenigingen enz. kunnen aanvragen. We trekken dan met een aangepast spel naar hen toe en proberen op een ludieke manier de kinderen thema’s rond voedsel, ecologie en natuur bij te brengen. We merken dat kinderen met heel wat vragen zitten waar volwassenen vaak niet bij stilstaan. Vooral het spel over de afkomst van groenten en fruit vinden heel wat kinderen fascinerend. We proberen nu meer en meer ‘intergenerationeel’ te werken: we nodigen ook ouders en grootouders uit om mee te doen aan het spel.
Omar: Het project van de bio-indicatie is eigenlijk het eerste project van DDH. Het doel van het project is te tonen hoe de luchtkwaliteit evolueert. We gebruiken twee soorten tabaksplanten voor de experimenten: één die reageert op luchtpollutie (ozon) en één die er niet op reageert als controle-plant. We bieden aan huiswerk-scholen 10 sessies aan waarin we ateliers organiseren over vervuiling, de ecologie van planten, het klimaat en de interactie tussen het klimaat en de plant. Er is telkens een verantwoordelijke van de school zelf die mee doet aan de ateliers. Op het einde van het jaar neemt die persoon het project over om het verder op te volgen. We geven elk kind een plant en leren hen hoe ze die kunnen verzorgen. Ze vinden het vaak leuk om een stukje natuur in hun school te hebben, te weten hoe het in elkaar steekt en meestal vinden ze het bijzonder leuk om aan anderen, hun ouders vaak, uit te leggen hoe de plant functioneert!
Ik bedankt jullie voor dit interview en wens jullie veel geluk met jullie vereniging.
Meer info op:
www.haricots en
www.gas-bxl.collectifs
Maarten Roels
Italic Text